Een Brabander in de Bronk

In 1998 kwamen wij in Gronsveld wonen. In 2000 maakten we onze eerste 'Bronk' mee. In de weken die daaraan vooraf gingen wisten we niet wat ons overkwam. Langzaam maar zeker kwam er soort gekte over de dorpen Gronsveld en Rijckholt. Nog even twijfelden we: moesten we niet gewoon even op vakantie gaan en dit 'hele gedoe' aan de dorpelingen overlaten? We zijn gebleven.....

Eén van de mooiste momenten vind ik het 'paol-hoûwe' op het plein voor het klooster in Rijckholt. De lucht is blauw, de zon schijnt, de harmonie speelt het Sjöttelied en de bejaarde zusters kijken met stralende gezichten naar de honderden mensen die 'rejje'. In de 'rej' voor mij danst een oude schutter met aan elke hand een aardige dame. Als de muziek stopt maakt hij een sierlijke buiging naar de dame links en de dame rechts en zegt: 'Daanke!' Het is dan inmiddels dinsdagmiddag en samen met mijn vrouw Thérèse ben ik geheel in de greep van 'De Groete Broonk'. Wanneer ik aan het eind van die middag even thuiskom (niet te lang, want klanken van de harmonie en het tamboerkorps laten vanuit het dorp onophoudelijk hun lokroep horen), bel ik onze zoon. We zijn sinds kort voor het eerst oma en opa geworden en ik wil even weten hoe het met de kleine Jelle is. Wanneer ik vertel dat opa en opa al twee dagen achter de schutterij aan hossen, wordt het even stil aan de andere kant van de lijn. Dan volgt een verbaasd: 'Jullie?' Ineens besef ik dat de mensen gelijk hadden die tegen me zeiden: 'Je kunt het niet uitleggen, je moet het meemaken.'

In de weken voor De Bronk snappen we er nog niet zoveel van. Wie je ook spreekt, altijd duikt wel ergens in het gesprek het woord 'broonk' op. 'Bronk-kenner' Gilles Jaspars heeft ons inmiddels uitvoerig onderricht in de geheimen van het grote gebeuren en we hebben natuurlijk het boek over De Bronk aangeschaft. Maar ondanks dat, blijft het moeilijk om je er écht iets bij voor te stellen. Je denkt toch nog stiekem: 'Het zal wel een of ander leuk folkloristisch feestje zijn. We gaan wel even kijken als het zover is.' Misschien komt het ook omdat we, voor we in Gronsveld neerstreken, in een Brabants Peeldorp woonden. Daar hadden we ook een schutterij, die te pas en te onpas uitrukte. Sinterklaas, de nieuwe burgemeester, de communicantjes, de opening van het nieuwe bankgebouw, er hoefde maar ergens een vlag te wapperen of de schutterij was present. Het was ook maar een kleine schutterij, want er moest zo vaak worden aangetreden, dat steeds meer schutters afhaakten wegens tijdgebrek. Wanneer je dan op Pinkstermaandag, met het beeld van het Brabantse schutterijtje in je achterhoofd, de Gronsveldse schutters naar het Kerkplein ziet optrekken, valt je mond open van verbazing. Je gelooft je ogen niet en hebt het gevoel dat je in een historische film terecht bent gekomen. Maar nog geef je je niet gewonnen. Het is natuurlijk allemaal prachtig dat gemarcheer en die kippenvelmuziek, maar hoe nu verder? Dat wordt al snel duidelijk. De vogel moet eraf en je had je voorgenomen 'even' te blijven kijken. Maar het duurt meer dan honderd schoten voor het ding naar beneden komt en je staat uren in de brandende zon want je vindt het ongelooflijk spannend en je wilt weten hoe het afloopt. En dan maak je ook nog een historisch en dramatisch ogenblik mee: de vogel wordt door een zuchtje wind naar beneden gehaald. Vreugde voor de laatste schutter en verdriet voor de man die net heeft aangelegd. Je herkent in de nieuwe koning de loodgieter en het feit dat je kunt zeggen dat 'de nieuwe koning vorig jaar vakkundig onze regenpijp heeft vernieuwd', geeft je zelfs een beetje een gevoel van trots. Voor het eerst trek je dan achter de schutterij aan, op weg naar het café waar de 'vrijgekomen plaatsen' worden verkocht. Gewone schutters hoeven niets te betalen, maar de 'hogere functies' moet je kopen. Een paar dagen later spreek je een paar Maastrichtenaren die wat lacherig doen over het feit dat de plaats van kwartiermeester meer dan vijftienduizend euro opbracht. En voor het eerst verdedig je De Bronk met de woorden: 'Daar snappen júllie toch niks van. Je moet het meemaken.'

Op Bronkzondag staan we langs de weg en zien de processie voorbij trekken. Samen met de andere toeschouwers leven we mee met alle processiegangers wanneer de regen als een waterval naar beneden komt. Natuurlijk is één keer de processie zien niet genoeg. We pakken onze fietsen en rijden naar Rijckholt. De lucht is opgeklaard en over de Voerenweg nadert een indrukwekkende stoet. Misschien is dit wel Limburg op zijn mooist: de processie die door de velden trekt met op de achtergrond het Savelsbos. Dan terug naar Gronsveld om de 'Ginneroal Sjersj mee te maken. Oorverdovend indrukwekkend! Wanneer op maandagochtend de schutterij de Stationsstraat op komt marcheren krijg ik weer kippenvel en begin bewondering te krijgen voor de schutters die onvermoeibaar doorlopen met de zware geweren op hun schouders. Dan realiseer ik mij dat de schutterij er weliswaar zeer martiaal uitziet, maar dat de grenadiers niets militaristisch uitstralen. Geen enge paradepassen zoals ik die zag bij sommige ándere Limburgse schutterijen en die bij mij onmiddellijk enge associaties oproepen. Nee, de 'Aw Sjöttery' maakt indruk omdat ze hun 'sjoen sjöttepak altiéd mêt vëul plezeer dräoge', zoals gezongen wordt in het 'Sjöttelied'.

Ondanks de waarschuwing dat het bijna onmogelijk is om de overvolle kerk binnen te komen voor het bijwonen van de 'Sjötten-deens' op maandagochtend, lukt het een plaatsje te veroveren achter in de kerk. Staande op de trappen van het koor heb ik een prachtig overzicht en het jeugdsentiment slaat onmiddellijk toe als de oude Gregoriaanse gezangen klinken. Het 'Sjöttelied' zorgt voor rillingen en pastoor zorgt voor twijfel.
Hij verbaast zich over het feit dat, in deze tijd van emancipatie, de mannen éérst de offergang maken en daarna de vrouwen. Natuurlijk heeft hij gelijk, denk ik, maar ik weet niet of ik het met hem eens moet zijn. Ik denk hier nog dagen over na en dan herinner ik mij de discussies die ik met ouders voerde toen ik nog directeur was van een basisschool. Om de paar jaar waren er wel ouders die 'Zwarte Piet' wilden veranderen in 'Witte Piet' omdat ze het discriminatie vonden. Ik verzette mij daar altijd fel tegen. Natuurlijk, objectief gezien, hadden ze gelijk. Maar soms stijgen tradities uit boven de alledaagse werkelijkheid. Dan heeft het niets meer te maken met discriminatie of emancipatie. Dan is het deel geworden van het sprookje, het toneelstuk dat je samen opvoert en waar je met z'n allen in gelooft. Na zijn kleine kritische kanttekening kwijt de pastoor zich bekwaam van zijn taak als parochieherder. Wanneer hij later, buiten op het kerkplein met zijn staf in de hand de schutterij inspecteert, schiet ik de ene foto na de andere om dit fraaie beeld vast te leggen. Dat geldt trouwens ook voor het zegenen van de graven van de overleden 'sjötte', dat vooraf is gegaan aan de inspectie. Een ontroerende traditie, die getuigt van respect voor de schutters die De Bronk door de eeuwen heen hebben bewaard. De harmonie speelt de prachtige trage processiemarsen terwijl de pastoor de graven besprenkelt die door de secretaris van de schutterij worden aangewezen.

Nadat de eerste paal op het Kerkplein is 'gehoûwe' door de mannen met de bijl (er zullen er nog vele palen volgen) barst de feestvreugde los. Mijn vrouw en ik staan er wat ongemakkelijk bij en voelen ons toch weer even een buitenstaander. Het 'rejje' begint en we weten niet goed wat we moeten doen. We zien de schutters voorbij dansen, de majoor in zijn prachtige pak, de rinkelende koning met zijn koningin, de hofdames met hun fraaie hoedjes, de kapiteins en luitenants met hun prachtige pluimen en de 'gewone' mensen. Maar ineens grijpt iemand je hand en voor je het weet, doe je mee en probeer je zelfs voorzichtig het 'Sjöttelied' te zingen. Dan weet je niet meer van ophouden.
Een paar dagen daarvoor hebben vrienden uit het dorp nog tegen je gezegd: 'Je laat je toch zeker ook "sjöt" maken!' Dát vind je wel wat ver gaan. Je woont hier nog niet zolang en je hebt het gevoel dat het beter is om nog vier jaar te wachten. Maar dan dans je achter de schutterij aan naar het Stationsplein en je denkt: 'Ik doe het!' En voor je het weet sta je op het kleine podium, drinkt het 'Sjöttebier' en wordt bewapperd door de vlag van de schutterij.

Met het 'paol-hoûwe' zijn we niet meer te 'hoûwe' en trekken, samen met bijna het hele dorp, mee met de schutterij. Wanneer de paal in onze straat moet worden omgehakt, hebben we 'dienst'. Met een aantal buurtgenoten staan we te wachten mét tien kratten pils en dienbladen vol frisdrank. Dan blijkt weer dat ik een beginnende bronker ben. Zodra de optocht onze straat binnentrekt, grijpen een paar mensen de kratten en storten zich ermee in de menigte. Ik snap er eerst niks van, omdat ik (nog) zo naïef ben om te veronderstellen dat iedereen zijn flesje persoonlijk bij mij komt ophalen. Ik roep nog: 'Hé, hier met dat bier!' Maar een mens leert snel en nog net op tijd kan ik het laatste krat te pakken krijgen en begin ook rond te rennen. Binnen een mum van tijd ben ik 'los'. Dan is er weer volop tijd om mee te 'rejje' op de muziek van de onvermoeibare harmonie en te zingen over de grenadier die, wat er ook gebeurt, trouw blijft aan zijn schutterij of over 'ekerèin' die 'Ôs Groete Broonk veert'. Als de muziek even stil valt, raak je aan de praat met onbekende mensen en je beseft hoe belangrijk dit feest is voor de saamhorigheid in het dorp. Iemand legt me uit dat het omhakken van de paal herinnert aan de tijd dat de processie soms verstoord werd door tegenstanders, die de wegen blokkeerden met takken en boomstammen. Of dat echt gebeurd is hier in Zuid-Limburg in de honderden jaren dat de schutterij bestaat, kan mijn zegsman niet vertellen, maar de symboliek is er niet minder om. Het naar huis brengen van de Majoor, op dinsdagavond laat, stemt óók ons melancholiek, maar gelukkig woont hij aan het einde van het dorp en doen we er lang over. Nog één keer mogen we met het hele dorp achter de schutterij aan en we troosten ons met de gedachte dat over veertien dagen het 'Kuüningmèisjstëke' wordt gehouden. Dan komt de regen voor de tweede keer de boel in de war schoppen, maar hoedje af voor de koningin en haar hofdames die vanaf hun praalwagen en vanonder hun paraplu's blíjven stralen wanneer ze door het dorp trekken richting koffietafel. Als we naar huis gaan, horen we tot diep in de nacht de harmonie en de trommels van het tamboerkorps. Natuurlijk zullen we nooit een echte 'Groéseldener' worden, want we zijn hier niet geboren en getogen. Maar als je hier woont, is het wel fijn als je je hier steeds meer thuis gaat voelen. Dankzij De Bronk lukt dat al aardig. En over vier jaar mogen we gelukkig weer.
Als dán de majoor op Paasmaandag in de overvolle aula van de school, vraagt: 'Broonke v'r, of broonke v'r neet?' zullen we van harte antwoorden: 'V'r broonke!'

(Jacques Vriens, september 2000)

400 jaar schutterij Gronsveld